donderdag 13 december 2012

Het is 2025. Ik zit aan tafel met een opgewonden Medewerker Monumentenzorg: "Je weet niet wat je zegt!" klinkt zijn berispende stem (Jan Klein Kranenburg, 13 december).

"Zo ouderwets als jij dachten ze 25 jaar geleden ook. Tal van fabrieken werden toen gesloopt, omdat ze ons herinnerden aan de tijd dat onze ouders daar onder slechte arbeidsomstandigheden hun brood verdienden. foto_janLelijk, vonden we de grote stenen gebouwen met hun dampende schoorstenen. En moet je nu kijken: die paar fabrieken die overbleven staan als industrieel erfgoed midden in de samenleving. Kijk naar de DRU Fabriek in de Achterhoek, kijk naar de Westergasfabriek in Amsterdam!"

Ik knik beschaamd: "Ik denk dat je gelijk hebt, maar..."

De monumentenman gaat verder, maar milder van toon: "Ik snap je wel, al eeuwen denkt men zo. In de tijd van het Trechterbekervolk dacht ook niemand dat groepen opgestapelde stenen de trots van Drenthe zou worden". De man legt uit dat ze in zijn vakgebied een definitie hebben: ze richten zich op alles van 50 jaar oud, dat relevant is "vanwege schoonheid, wetenschappelijke betekenis of cultuurhistorische waarde". Ik schrik van die 50 jaar waardoor de tweede helft van zijn zin pas later tot me doordringt. Die schrik is verklaarbaar voor iemand die zelf de Abrahamleeftijd over een paar maanden hoopt te bereiken.

Ik probeer uit te leggen dat de hunebedden en die fraaie oude fabrieken voor mij fysiek zichtbaar zijn. Het rapport dat voor ons ligt gaat in mijn ogen over iets onbeduidends, iets smerigs. De monumentenman vertelt me dat dat niet uitmaakt: "Het gaat erom dat het bij iets groters hoort, iets waardevollers." Zijn toon is ineens milder en dat heeft een reden: hij blijkt iets van mij nodig te hebben: "Jij hebt toch tijdens je studie geleerd om stroomrichtingen van grondwater te voorspellen?" Ik antwoord bevestigend.

De man krijgt pretoogjes: "Deze ondergrondse pluim van tetrachlooretheen is uniek in zijn soort. Ik heb zelden zo'n puntgaaf exemplaar gezien. Vaak zijn ze in de eerste jaren van deze eeuw rücksichtslos verwijderd of versnipperd door zelfbenoemde vakspecialisten, die met oogkleppen op hun beroep uitoefenden. Deze pluim lijkt te zijn gered. Ik heb hem vorige week bij de Rijksdienst voor Erfgoed aangemeld als mobiel industrieel erfgoed."

Ik knik quasibegrijpend, wetend dat ik één van die bedoelde cultuurbarbaren ben. De monumentenman komt bij de kern van zijn zaak: "Chemische wasserijen zijn tegenwoordig zeldzaam, erg zeldzaam. Als jij mij helpt om de herkomst van de monumentale per-pluim te onderzoeken dan zou dat wel eens naar het mooiste exemplaar ooit kunnen leiden!"

Het is 2030. De monumentenman en ik zijn uitgenodigd voor de onthulling van de nieuwste aanwinst van het Openluchtmuseum in Arnhem. Historische wasserij "Rein ende Proper" is gerestaureerd en in zijn geheel op een dieplader overgebracht naar zijn nieuwe plek. Het gebeurde in slechts 2 dagen tijd. Dat is niets vergeleken met de verplaatsing van de bijbehorende verontreinigingspluim, die per vierkante meter op plakprofielen, voorzien van vacuümstolpen geconserveerd en verplaatst moest worden naar de Arnhemse ondergrond. Ik kijk er met een tevreden gevoel op terug. Eindelijk zie ik in wat de meerwaarde is van de "samenwerking" en "het werkterrein verbreden naar aanverwante vakgebieden" waar men rond 2010 al over sprak.

Jan Klein Kranenburg (Agentschap NL (Bodem+)

Website

Twitter

Reageren op deze column kan hier: Linkedingroup