Column: Wie het kleine niet eert

Een wet komt nooit uit het niets (Paul de Reus, 7 februari).

Een wet formaliseert slechts welke waarden en wensen er al heersen in de maatschappij. Dat geldt ook voor de Omgevingswet. Er is beleidsmatig genoeg reden om de sectorale wetten te vervangen door een integrale wet. De Omgevingswet is geen doel op zichzelf, zij moet slechts mogelijk maken wat we nu al willen.Foto_Paul_de_Reus

Tegengeluiden vanuit de oude sectoren, zoals 'bodem', zijn niet absoluut, maar eerder waarschuwingen om de goede onderdelen van de oude regels niet weg te gooien, om ze goed te integreren in de nieuwe Wet van Alles.
Hoe doen we dat zorgvuldig? Eerst een goede voorzet van juristen en beleidsadviseurs. Die voorzet gaat dan het democratisch overleg in. Bij dat laatste wringt voor 'bodem' de schoen. Ik doel op de dominantie van de provincies en van de zgn. 'grote gemeenten' in de overlegplatforms. Ik doel op de dominantie van Wbb-overheden.

Bodemonderzoek- en sanering is al lang geen doel meer op zichzelf. Het volgt aan maatschappelijke processen, het faciliteert. De plan- en besluitvorming begint dus vanuit de bouw- en RO-hoek: bij de Wro en bij de Wabo. Pas van daaruit wordt - zo nodig - de Wbb erbij gehaald. De afstemming en afweging tussen de sectorale wetten begint dus vanuit de gemeente, vanuit de afdeling RO of Bouw. Dat geldt voor elke gemeente, hoe klein ook. Er zijn dus in Nederland ruim 400 bevoegd gezagdragers Wro en Wabo (en Bbk).
Het meeste bodemwerk ligt niet bij de Wbb-overheden, maar bij de Bouw-, Beheer- en RO-afdelingen. Dus welke partijen hebben we nodig als we iets aan de regels willen veranderen? Juist: die Wro- en Wabo-vertegenwoordigers. Een delegatie van die 400.

Maar dan de praktijk in Bodemland: Bij het bemensen van de overleggen, commissies en werkgroepen, wordt 'bevoegd gezag' stilzwijgend, maar steevast, opgevat als 'Wbb-gezag', waar er 42 van zijn. Alle anderen worden weggezet als 'kleine gemeenten'.
Waar gemeenten en provincies mensen van allerlei pluimage kunnen afzonderen naar de gremia, zijn het uitsluitend de Wbb-mensen die de stoeltjes vullen. En andersom: Waar de gremia nieuwe overheidsleden werven, richten zij zich slechts op de Wbb-kring.

De bodem-gremia adviseren over het beleid, maar doen dat de facto met oogkleppen op. Zij hebben een blinde vlek voor alles dat niet-Wbb is. Dat heeft effect gehad op de wetten en beleidstukken die de afgelopen 18 jaar geproduceerd zijn.
De Wbb is dichtgetimmerd met circulaires, handreikingen en wettelijke beoordelingscriteria.
Maar als een gemeente bijvoorbeeld regels wil stellen aan sanering bij bouw, van niet-spoedeisende gevallen (Gestadige verbetering), dan heeft zij niets aan de Wbb, en is er geen enkele handreiking of model-regelgeving. Hoe technisch-complex een CKW- of gasfabrieksverontreiniging ook mag zijn, vanwege deze beleidslacune ligt het moeilijkste bodemwerk niet bij de Wbb-overheden, maar bij de Bouw-, Beheer- en RO-afdelingen.

Met het verdwijnen van de Wbb, verdwijnen vanzelf de Wbb-petten uit de gremia. Is het probleem dan vanzelf opgelost? Nee, want op dat moment is de Omgevingswet dus al af. En hoe is die tot stand gekomen? Wie hebben erover geadviseerd? De huidige, Wbb-georiënteerde gremia. En natuurlijk de speciale werkgroepen rond de Omgevingwet en het Bodemconvenant. Wie zitten dáár in? Het zal toch niet...

Paul de Reus

Polder BV IJmuiden.

Reageren op deze column kan hier: Linkedingroup

 

ontwerp: Hans Dienaar bNO | site bouw: NMEDIA