donderdag 13 maart 2014

Bodembeheer en innovatie zijn nooit gezellige partners geweest. In de jaren tachtig waren we al blij als we het grondwater van zo'n 20 meter diepte konden oppompen. Dat tijdens de monstername vluchtige stoffen konden ontsnappen werd op de koop toe genomen. Bodemfysische methoden waren wel bekend maar niet bemind, wegens de wisselende interpretaties. Het onderzoek bestond vrijwel altijd uit boren, bemonsteren en analyseren en de sanering uit graven en storten (Theo Edelman, 13 maart).

In de jaren negentig werd grond reinigen populair. Dat kan goed tot de innovaties worden gerekend. Het was wel nodig een Service Centrum Grondreiniging in het leven geroepen om alle af te graven grond verplicht op reinigbaarheid te laten beoordelen. Biologische methoden werden daarbij uitgesloten, vanwege de vermeende onvoorspelbaarheid van het resultaat. Dat zette ons weer op achterstand.

Weer wat later waren een Nationaal Onderzoeksprogramma Biologische In Situ Sanering (NOBIS) en een Beleidsvernieuwing Bodem (Bever) noodzakelijk om nieuwe technieken te ontwikkelen en juridisch mogelijk te maken. Je zou zeggen dat ons land zich in een uitstekende positie zou bevinden om zijn bodembeheer op innovatieve wijze gestalte te geven.Foto_Theov3

Toch is dat niet gebeurd. De Nederlandse bodemsector kan gerust conservatief worden genoemd. Misschien is dat beheerders wel eigen. Het geldt voor de hele sector. Veel overheden willen niets van nieuwe methoden weten, want die zouden niet verankerd zijn in normen en protocollen. Onzin natuurlijk. Ook na invoering van de NTA 5755 waarin de adviseur de onderzoeksopzet en gebruikte technieken moet motiveren is er weinig veranderd. Veel bedrijven vinden het noodgedwongen ook wel prima. Als zij al een innovatieve aanbieding doen, dan wordt die niet begrepen door opdrachtgever en overheid. Dat nodigt natuurlijk niet echt uit.

Ondertussen is Nederland door veel landen ingehaald op het gebied van het innovatieve bodembeheer. Dat zal het vrijwel onmogelijk maken dat Nederland internationaal iets kan gaan betekenen op het gebied van bodembeheer.

Wat zou toch de oorzaak hiervan zijn? In elk geval is de decentralisatie van bodemtaken onvoldoende gepaard gegaan met de kennisontwikkeling bij de bevoegde overheden. Zij zijn meer geëquipeerd om het proces te volgen dan de inhoud te beoordelen. Dan kies je automatisch voor oud en vertrouwd in plaats van nieuw en onvertrouwd.

Of dat erg is? Dat ligt er maar aan voor wie. Veel bevoegde overheden focussen niet meer op bodem. Waarom zou je dan innovatief aan de gang gaan als het ook conservatief kan? Dat kost weliswaar vaak meer, maar de kosten zijn toch meestal voor een ander. En daar wringt nu net de schoen: de onwetende en vaak onschuldige eigenaar van een stuk verontreinigde grond moet dieper in de buidel tasten en is dus de pineut.

Als ik de baas was in bodemland richtte ik een centraal orgaan op voor een vrijwillige check van onderzoeksvoorstellen en saneringsplannen op slimheid en efficiëntie. Een dergelijk orgaan zou kunnen worden betaald door de aanvrager een bepaald percentage van het kostenverschil tussen conservatief en innovatief in rekening te brengen.

Zou het nog iets kunnen worden tussen bodembeheer en innovatie? Ik hoop het oprecht, maar echt zeker ben ik niet.

Theo Edelman (Bodemkundig Adviesbureau Edelman)

Website

Facebook

Twitter

Reageren op deze column kan hier: Linkedingroup