Sinds 1 juli is de BasisRegistratie Ondergrond uitgebreid met de mogelijkheid om het registratieobject Milieuhygiënisch bodemonderzoek (SAD) aan te leveren. De afkorting, waarvan de herkomst is terug te voeren op het Amerikaanse Site Assessment Data, is nog even wennen. Ondanks de onwennige invoervelden en terminologie, ben ik hoopvol over de BRO. Er is veel bodeminformatie, maar deze is versnipperd en soms slecht of niet toegankelijk De BRO biedt hier een oplossing. Met de toevoeging van het SAD wordt de databank steeds interessanter voor ons werkveld. Toen ik ging kijken welke informatie toegevoegd wordt of gaat worden viel het mij op dat het onderzoek ontplofbare oorlogsresten (OOO) niet wordt meegenomen in de BRO. (Bram van de Pas, 16 september)

Dit is opmerkelijk, gezien de maatschappelijke aandacht voor dit onderwerp. Het aantreffen van een explosief zorgt altijd voor ophef, zowel in het lokale nieuws als op de werkvloer. Daarnaast zijn de gegevens rondom ontplofbare oorlogsresten sterk versnipperde en slecht vindbaar. In tegenstelling tot milieutechnische bodemonderzoeken, die via de bodemloketten van decentrale overheden opvraagbaar zijn, en archeologische onderzoeken, die te vinden zijn in ARCHIS, is er geen centrale database voor OOO. Opname van deze gegevens in de BRO is daarom een logische stap en heel bruikbaar voor de branche.
Bij alle grondroerende activiteiten zijn ontplofbare oorlogsresten een aandachtspunt. Als de reeds uitgevoerde onderzoeken beschikbaar zouden zijn kan deze informatie ook worden hergebruikt. In tegenstelling tot bodemverontreiniging hebben we hier een statische situatie die al 80 jaar bestaat. Dan lijkt hergebruik van gegevens heel goed mogelijk.
Waarom is het OO onderzoek niet meegenomen in de BRO? Een reden kan zijn dat de overheden over maar een klein deel van de uitgevoerde onderzoeken beschikken. Het OO onderzoek was geen vereiste bij de oude bouwvergunningen en wordt ook in de huidige omgevingsvergunningen en meldingen voor milieubelastende activiteiten niet gevraagd. De meeste onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de Arbowetgeving en zijn alleen beschikbaar voor de onderzoeksbureaus en hun opdrachtgevers. Wat wel beschikbaar is bij de overheden, zijn de onderzoeken die zij zelf hebben uitgevoerd. Het beschikbaar maken van deze gegevens zou een eerste stap zijn. Helaas heeft minder dan een derde van de Nederlandse gemeenten een gemeente dekkend OO-onderzoek laten uitvoeren. Daarmee kunnen we zeggen dat de informatie rondom ontplofbare oorlogsresten extreem versnipperd is. Dit kan deels worden opgelost als alle gemeenten een gemeentedekkend vooronderzoek zouden uitvoeren. Het toevoegen van gegevens van onderzoeken naar ontplofbare oorlogsresten aan de BRO is echter vooralsnog niet voorzien. Op de website van de BRO wordt wel aangegeven dat het mogelijk is dat ontplofbare oorlogsresten op een later moment worden toegevoegd aan de BRO als blijkt dat hier breed behoefte aan is. Deze behoefte mag duidelijk zijn.
Aandacht voor ontplofbare oorlogsresten draagt zondermeer bij tot veiligheid op en om de werkplek. Toch plaats ik hier een kanttekening bij, want hoe groot is het risico bij het regulier bodemonderzoek? Voor zover mij bekend is er bij handmatig grondonderzoek in Europa afgelopen 80 jaar geen incident geregistreerd waarbij een oorlogsrest ongecontroleerd tot ontploffing is gekomen. Op basis van de ervaring zou er voor handmatig onderzoek een beperkter regime mogelijk moeten zijn. Men kan zich hierbij laten inspireren door de ontwikkeling rondom bodemverontreiniging. Daar was functiegericht en risicogestuurde bodemsanering 25 jaar geleden een gedurfde ontwikkeling, die nu algemeen geaccepteerd is. De risicogestuurde aanpak heeft onder andere geleid tot meer begrip voor de noodzaak tot bodemonderzoek en bodemsanering. Juist hier ontbreekt het aan bij de aanpak van ontplofbare oorlogsresten. Ik zie bemoedigende initiatieven in deze richting, zoals bij de gemeente ’s-Hertogenbosch, maar dit mag breder opgepakt worden.

Deze afbeelding is gemaakt met Copilot AI.
Bram van de Pas (LinkedIn)
Reageren op deze column kan hier: LinkedIn


