Bodemecoloog Franciska de Vries pleitte onlangs voor het instellen van bodembeschermingsgebieden. Vooral oerbodems zouden extra bescherming nodig hebben, gelet op hun bijzondere biologische ondergrond. Ik vind dat een sympathiek en actueel idee. We begrijpen immers steeds beter hoe belangrijk gezonde bodems zijn voor biodiversiteit, waterberging, klimaat en voedselproductie. Het idee van bodembeschermingsgebieden is niet nieuw. In de jaren tachtig werd het al uitgewerkt en in beleid vastgelegd. Wat is er eigenlijk geworden van de destijds ingestelde bodembeschermingsgebieden? Waarom horen we er nooit meer iets over? En kunnen we daarvan leren bij het realiseren van het idee van Franciska? (Theo Edelman, 28 september)

Veertig jaar geleden werd de mogelijkheid om bodembeschermingsgebieden aan te wijzen verankerd in de Wet bodembescherming. Provincies kregen de opdracht te onderzoeken welke bodems nauwelijks door menselijke activiteiten waren aangetast en daarom extra bescherming behoefden, boven op het algemene beschermingsniveau. Het ging daarbij niet alleen om de afwezigheid van chemische verontreiniging. Ook bijzondere fysische en biologische eigenschappen van de bodem konden aanleiding zijn voor extra bescherming. Ook archeologie en aardkunde mochten bepalend zijn. Voor deze gebieden konden beleidsplannen en zelfs bindende provinciale verordeningen worden opgesteld. De provincies gingen enthousiast aan de slag. Met input van bodemkundigen, ecologen, archeologen en landschapsdeskundigen kwamen er inventarisaties, intentieprogramma's en beschermingsregels. Elke provincie pakte het op haar eigen manier aan. Misschien kwam dat door een gebrek aan landelijke sturing. Maar dat had natuurlijk ook een voordeel: er was alle ruimte om te pionieren. Uit een indicatief overzicht van het RIVM uit 1994 blijkt dat het totale oppervlak aan bodembeschermingsgebieden in Nederland maar liefst 850.000 hectare bedroeg: ongeveer een kwart van Nederland. Ambities te over dus.
In 1993 verhuisde de wettelijke basis voor bodembeschermingsgebieden van de Wet bodembescherming naar de Wet milieubeheer. Daarmee verdween ook de term bodembeschermingsgebieden. Die maakte plaats voor milieubeschermingsgebieden, gedefinieerd als gebieden ‘waarin de kwaliteit van het milieu of van één of meer onderdelen daarvan, bijzondere bescherming behoeft’. Bodembescherming werd vervolgens verdeeld over natuurbeleid, grondwaterbescherming, milieubeleid, archeologie, landschap en ruimtelijke ordening. Goed bedoeld natuurlijk, met het oog op een integrale aanpak. Maar het had ook een onbedoeld gevolg: de regeling raakte bij bodemkundigen langzaam uit beeld. Andere afdelingen, met weinig of geen bodemkennis, kregen het voortouw. De bodembeschermingsgebieden verdwenen dus achter andere beleidstitels. Het ene bordje werd vervangen door het andere. Bestuurlijk misschien logisch. Maar inhoudelijk heeft het een kwalijk gevolg gehad: we zijn het bodemkundige verhaal achter de bescherming kwijtgeraakt. Je zou dat de prijs van een integrale aanpak kunnen noemen. Of een gedeeltelijk mislukte integratie.
De oproep van Franciska is een goede aanleiding om het oorspronkelijke idee opnieuw tegen het licht te houden. Wat bedoelden we veertig jaar geleden met een bodembeschermingsgebied? En wat zouden we er tegenwoordig onder verstaan? Het accent zal ongetwijfeld meer op de biologie liggen dan voorheen En dan vooral de ondergrondse biologie, waar we tegenwoordig zoveel meer van weten dan veertig jaar geleden. Maar ook de chemie en de fysica mogen niet ontbreken, evenmin als de landschapsgeschiedenis, de archeologie en de bodemvorming. Daarmee komen we bij een belangrijk verschil tussen toen en nu. In de jaren tachtig werd vooral gezocht naar gebieden die, voor zover we dat konden vaststellen, nog nauwelijks door de mens waren aangetast én die bedreigd werden. Uit de inventarisatie van het RIVM blijkt dat er destijds geen aandacht was voor de biologische eigenschappen van de bodem ondergronds. Het is goed dat Franciska nu juist de nadruk legt op die ondergrondse biologie. Een soort inhaalrace, als het ware. Genoeg reden om het over bodembescherming 2.0 te hebben.
Het zou interessant zijn de oude rapporten en kaarten van de bodembeschermingsgebieden weer eens op te zoeken. Niet om het beleid uit de jaren tachtig terug te brengen, maar om te ontdekken waarom we bodems toen waardevol genoeg vonden om extra te beschermen. En vooral: wat zijn de verschillen met onze huidige opvattingen? Een interessante stap zou zijn om een Historische atlas van de Nederlandse bodembeschermingsgebieden te maken, met per provincie de oorspronkelijke gebieden, het jaar van aanwijzing, de reden van bescherming, de belangrijkste voorschriften en de huidige beleidsstatus. Zo'n atlas zou een mooie manier zijn om de huidige oproep voor nieuwe bodembeschermingsgebieden historisch te plaatsen. En misschien helpt hij ons ook te bepalen wat we nu anders zouden moeten doen.
Ik ben benieuwd welke gevolgen de oproep van Franciska gaat krijgen. Dit onderwerp heeft zowel een interessante bestuurskundige als een bodemkundige kant. Ideetje voor twee promovendi? En welke organisatie pakt dit op? We hoeven tenslotte niet op de proefschriften te wachten.
Meer informatie
Overzicht RIVM 1994
Franciska de Vries, augustus 2026
Franciska de Vries, september 2026

Theo Edelman
Reageren op deze column kan hier: LinkedIn


