Tweederde van het landbouwareaal moet uit Nederland verdwijnen. Ecologen leggen een 'groene' maatlat. Den Haag treedt niet in dialoog met het maatschappelijk middenveld (Waterschappen.nl, 9 december).
Er bestaan inmiddels veel misverstanden over de Kaderrichtlijn Water. Het doemdenken domineert en we lijken niet meer te geloven in de kansen die de richtlijn biedt. Tijd om helderheid te scheppen en feiten en fictie te scheiden.
De Kaderrichtlijn heeft tot doel de duurzame bescherming van aquatische ecosystemen en watervoorraden. Duurzaam betekent niet “terug naar de natuur”. Duurzaam betekent een balans tussen de bescherming van het ecosysteem en het gebruik van dat ecosysteem door de mens. Dit is ook uitgangspunt van ons nationale beleid.
Deze doelstelling is verder uitgewerkt in doelstellingen voor grond- en oppervlaktewater, die elke Lidstaat in 2015 moet hebben gerealiseerd. Het centrale instrument daarbij is coördinatie in internationale stroomgebieden. Het motto is: niet afwentelen. Bij uitstek uitgangspunt van het Nederlandse waterbeleid. De Kaderrichtlijn stelt Nederland weliswaar voor een grote opgave, het biedt ook een kans om bestaand beleid te realiseren. Voor het eerst worden bovenstroomse landen gedwongen rekening te houden met benedenstroomse landen als Nederland.
Om de Kaderrichtlijn uit te voeren heb ik namens het kabinet en de bestuurlijke partners een aantal stappen ondernomen. Ten eerste moet de richtlijn worden omgezet in Nederlands recht. Het wetsvoorstel ligt thans voor behandeling bij de Tweede Kamer. Het gaat erom wettelijke regelingen te treffen die de bevoegdheden en taken van de waterbeheerders bekrachtigen. Dit is echter niet de meest interessante stap.
Ondanks hardnekkige beeldvorming regelt de wettelijke implementatie niet welk ambitieniveau we in Nederland willen nastreven. De besluitvorming daarover vindt plaats in de komende jaren en krijgt zijn beslag in 2008 wanneer het stroomgebiedbeheersplan voor inspraak wordt voorgelegd aan het publiek. Ik wil de komende tijd over dat ambitieniveau praten. Niet alleen met de overheden, maar vooral met de vele betrokken sectoren in de maatschappij, die met de Kaderrichtlijn worden geconfronteerd.
Uit verschillende hoeken komt het beeld dat de discussie over het ambitieniveau al in 2004 moet zijn gevoerd en dat de deur dan potdicht gaat. Dat beeld is misplaatst. Het komende jaar moeten de kenmerken van de stroomgebieden worden beschreven. De huidige toestand wordt vastgelegd, de belangrijkste bronnen van menselijke belasting in beeld gebracht en de referenties voor grond- en oppervlaktewater bepaald. Deze referenties zijn niet de doelstellingen en vormen niet het ambitieniveau. Ze vormen de basis waarvan de doelstellingen worden afgeleid, na 2004 en, zoals ik voorsta, in dialoog. Er is dus nog niets dichtgetimmerd.
Om een zinvolle discussie met elkaar te voeren zijn onder andere scenariostudies nodig, die een beeld geven van de gevolgen van verschillende ambitieniveaus op het gebied van chemie, ecologie en grondwater voor de diverse sectoren in de maatschappij. Aan welke knoppen kunnen we nog draaien? Wat levert dat op? Wat gaat dat kosten?
Zo'n scenariostudie is de Alterra-studie. De resultaten van dat onderzoek hebben voor veel commotie gezorgd, omdat ze een beeld scheppen wat de gevolgen van de KRW voor de landbouwsector onder bepaalde condities zouden kunnen zijn. Ik wil het doembeeld dat daaruit voortkomt niet tot het mijne maken. De Kaderrichtlijn biedt nadrukkelijk de mogelijkheid om rekening te houden met de financiële en sociaal-maatschappelijke gevolgen van maatregelen.
Wel staat voor mij vast dat we een pragmatische koers kiezen. Het vigerende waterbeleid is voor mij het ambitieniveau. Vanuit het bestaande beleid moet worden bezien in hoeverre het voldoet aan de vereisten van de Kaderrichtlijn en waar aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. De Kaderrichtlijn biedt voorts een goede impuls om stagnerend beleid verder te brengen, zoals de aanpak van diffuse bronnen.
Laten we dus ons gereedmaken voor de opgave die voor ons ligt. De Kaderrichtlijn zet ons ertoe aan na te denken over wat we wel en niet kunnen realiseren in Nederland, en dwingt ons om hetgeen we kunnen realiseren na te leven.
De Kaderrichtlijn biedt een kans om binnen een halve generatie een flinke slag te maken met het op orde brengen van ons watersysteem en zo bij te dragen aan een veilig en bewoonbaar Nederland. Dit zijn de kerndoelen van ons nationale waterbeleid: “Een zware klus dus, maar een mooie uitdaging”.
Melanie Schultz van Haegen, Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat