Als liefhebber van oude auto’s stel ik mij deze vraag vrijwel dagelijks. Er klinkt een verontrustend gebonk in het vooronder, er ontstaat een bruin blaasje onder de lak of de auto gaat opeens langzamer in plaats van harder als ik het gaspedaal intrap. Gedonder dat erbij hoort als je een auto rijdt waarvan de garantieperiode al zo’n 40 jaar verstreken is en van sleutelen houdt, maar steeds duikt weer die vraag op: is dit weer gewoon maakbaar of zijn de rapen nu echt gaar? (Daan Henkens, 8 juli)

Ook achter mijn bureau is dit een vraag die mij steeds meer bezighoudt. Er gaat een klimaatrecord aan diggelen, een rancuneuze koortsdroom wordt in beleid vertaald (hebt u STOER al gezien?) of er probeert iemand een prachtig taai en weerbarstig probleem plat te slaan tot ‘heldere afspraken en concrete acties’. Gedonder dat erbij hoort als je in je cv zet dat je graag voor de publieke zaak aan complexe vraagstukken werkt. Maar ook hier steeds weer die vraag: kunnen we het fixen, of gaat het systeem nu echt op de fles?

Wat betekent dat dan, als we het ‘fixen’ of als het systeem het begeeft? Bij mijn eerste auto, die ik voor een paar honderd euro in erbarmelijke conditie kocht, wist ik het meestal wel weer te fixen. Het mocht weinig kosten, bij elke reparatie zag ik ergens anders wel weer een onderdeel dat éigenlijk eens aangepakt zou moeten worden, maar ik reed weer. De investering die het zou vragen om hem écht weer degelijk en betrouwbaar op orde te krijgen was al lang niet meer te overzien. Zolang ik fix wat stuk is en verder geen vragen stel gaat het goed… dacht ik. Maar het leven laat zich niet foppen, de vraag uit de titel zit gewoon naast me op de bijrijdersstoel en wordt met de dag prangender.

Ook op mijn bureau ligt deze vraag inmiddels permanent naast de muismat. Wat nou als de instituties waar we ons elke dag aan vasthouden - de democratische rechtsstaat, de onafhankelijke wetenschap, de vrije markt - geen haar beter zijn dan mijn oude Citroën? Ze blijven prima functioneren als je de problemen die optreden maar tijdig gefixt hebt, maar zonder het geheel af en toe eerlijk onder ogen te komen en zonder grondige revisie, zal de hele boel er op een kwade dag definitief de brui aan geven.

Wat er dan gebeurt is bij een auto niet moeilijk voor te stellen. Bij de instituties waar mijn hele bestaan als ambtenaar vanaf hangt wel. Er is inmiddels een hele wetenschap die zich bezighoudt met ‘transities’; radicale veranderingen in doen en denken waarin oude ‘regimes’ worden afgebroken en nieuwe worden opgebouwd. Maar waar deze transities vaak eindigen in een wereld waarin alle gebouwen struiken aan de gevels hebben en er altijd een blije racefietser voorbijkomt, zien we in de echte wereld hoe dystopisch en oncontroleerbaar deze transities óók kunnen uitpakken. Ik ben ervan overtuigd dat het uiteenvallen van onze bestaande zekerheden net zo onvermijdelijk is als het einde van mijn eerste Citroën, maar als we nu al goed nadenken over wat we daarná zouden willen, voorkomen we dat we erdoor overvallen raken en machteloos moeten toezien hoe tirannen onze toekomst claimen. We houden het verval niet tegen, maar dat is niet erg. Om ruimte te geven aan de toekomst moet je het oude soms los durven laten.

Het afscheid van mijn oude Citroën gaf ruimte aan een betere, eentje zonder roest en mét droge winterstalling. Voor de deur staat inmiddels ook een moderne stekkerauto. Saai, duur en het veert als een tegel, maar hij is betrouwbaar en veilig, en ook nog eens zonder rookpluim!

Column Daan 20250708

Daan Henkens

Linkedin

Reageren op deze column kan hier: LinkedIn