Dit najaar stond ik op het dak van het EWI-gebouw, met 90 meter het hoogste gebouw van de TU Delft. Tijdens de open dag van de TU Delft kregen we een kijkje in hoe sensortechnieken continu informatie verzamelen over de omgeving, waaronder de verkeersdichtheid op de A13. Deze technologie (o.a. radar, lidar en infrarood) kan ook gebruikt worden in (zelfsturende) voertuigen. Het is een knap staaltje dataverwerking en de hoeveelheid informatie die wordt verwerkt is indrukwekkend.

In het bodemwerkveld werken we op veel bescheidener schaal met sensoren. In het veld meten we routinematig milieucondities, zoals pH, grondwaterstand, bodemvochtigheid etc.. Daarnaast gebruiken de veldwerkers ook hun eigen sensoren om kleur, geur (passief) en korrelgrootte waar te nemen. Het aantal in-situ meetmethoden om verontreinigingsconcentraties te bepalen is echter beperkt. Uiteindelijk blijft laboratoriumanalyse doorslaggevend. Dat is opmerkelijk, want juist bij in situ metingen wordt rekening gehouden met bodemvariaties doordat er continu wordt gemeten, of tijdens de uitvoering direct kan worden ingespeeld op real-time data. (Bram van de Pas, 19 januari 2026)

bram van de pas column bodemnieuws 9 6 2025

Waarom maken we zo weinig gebruik van in situ meettechnieken?

Het beeld bestaat dat in situ meettechnieken weinig worden toegepast. Dat klopt niet. Ze worden juist regelmatig ingezet, maar vaak slechts als screeningstool. Voor de definitieve vaststelling wordt alsnog teruggegrepen op laboratoriumanalyses, omdat het bevoegd gezag die nodig vindt voor formele goedkeuring.

Ik liep hier zelf tegenaan bij het opstellen van een saneringsaanpak voor een beperkte VOCl verontreiniging. De verontreiniging was duidelijk ingekaderd met Membrane Interface Probe (MIP)-metingen, maar het bevoegd gezag accepteerde deze niet. Daarom moesten er alsnog extra machinale boringen worden uitgevoerd om de MIP gegevens te bevestigen. Een gemiste kans, en een voorbeeld van hoe het bodemstelsel innovaties in de weg kan zitten.

Op papier biedt de regelgeving ruimte voor alternatieve meetmethoden, mits alle betrokken partijen instemmen. In de praktijk wordt die ruimte echter maar beperkt benut. Wil een techniek echt breed worden toegepast, dan moet deze gelijkwaardig worden verklaard aan laboratoriumanalyses. Dat brengt terecht strenge eisen met zich mee, zoals accreditatie en validatie. Toch valt hierover te discussiëren. Een tijd terug gaf Vincent Lesage van SGS daar een indrukwekkende presentatie over: “De waarde van het getal”. Hij liet zien dat ook labanalyses beperkingen kennen, en dat de schijn van absolute zekerheid niet altijd terecht is.

De in situ techniek waar we de meeste ervaring mee hebben, is de handheld röntgen fluorescentie spectrometer (XRF) voor het meten van metalen in vaste stoffen. Voor de XRF is overtuigend aangetoond dat de meetmethode een betrouwbaarheid kan bieden die vergelijkbaar is met laboratoriumanalyses. Dat leidde tot de Onderzoeksstrategie diffuus lood in de bodem van kinderspeelplaatsen en (moes)tuinen (SIKB handreiking 8102, 2021). Daarin staat beschreven hoe onderzoek en sanering op basis van XRF data verantwoord kan worden uitgevoerd.

Daarvoor werd XRF succesvol toegepast als in situ meetmethode binnen Actief Bodembeheer de Kempen, waar onder leiding van medecolumnist Theo Edelman zinkassen zijn onderzocht en gesaneerd. Hoewel er toen nog laboratoriumanalyses nodig waren, werd hun aantal aanzienlijk verminderd.

Toch hebben deze positieve ervaringen niet geleid tot algemene acceptatie van XRF als volwaardige meetmethode. En die terughoudendheid geldt ook voor andere in situ technieken.

SIKB wil het gebruik van innovatieve meetmethoden stimuleren en stelt hiervoor handreikingen op voor het gebruik van kwantitatieve metingen met de XRF, foto-ionisatie detector (PID), en multipurpose probe (MPP). Hopelijk leiden deze ervaringen tot opname van in situ-meetmethoden in de protocollen van de BRL 2000 serie. Dat zou de deur openen naar bredere toepassing én naar het accepteren van echt nieuwe technieken.

XRF bestaat inmiddels al sinds de jaren tachtig en is allesbehalve nieuw te noemen. Gelukkig staan er moderne technologische ontwikkelingen klaar. Binnen Saxion Hogeschool werkt lector Applied Nanotechnology Martin Bennink aan sensoren voor milieuonderzoek, geïnspireerd door andere vakgebieden. Denk aan: labs on a chip, compacte sensoren gekoppeld aan slimme data analyse en real time meetnetwerken. Daar ligt de toekomst. De innovaties komen eraan; het is aan ons om te zorgen dat het stelsel van wet en regelgeving er klaar voor is.

 

20250610 Column Bram

Bram van de Pas (LinkedIn)

Reageren op deze column kan hier: LinkedIn