In 2024 verscheen het boek Paniek om niets: Hoe de meetrevolutie onze angsten aanwakkert van Elsevier-journalist Simon Rozendaal. Zoals de ondertitel aangeeft is zijn boodschap helder: omdat de wetenschap nu in een positie verkeerd alles tot in de kleinste microgram te meten betekent dat niet dat we ons ook daadwerkelijk druk hoeven te maken om elke verhoogde microgram die we kunnen detecteren. (Tom Lenting, 26 januari)

Hoewel ik het in grote lijnen met Rozendaals kritische beschouwing eens ben, is de keerzijde van de medaille natuurlijk wel dat we érgens grenswaardes moeten blijven stellen. Anders vervallen we in een relativisme waarbij cijfers er helemaal niet meer toe doen. En op cijfers, laten we wel stellen, wordt beleid gebaseerd. In mijn ogen is van groter belang dat bij tijd en wijle getoond wordt dat cijfers met de werkelijkheid te maken hebben. Als we dat niet doen ontstaat er een volkomen papieren werkelijkheid wat het relativisme, en zelfs cynisme, rond de cijfers en het beleid alleen maar verder aanwakkert. Daarom is het van belang dat verontreinigingen zo nu en dan eens daadwerkelijk worden ervaren en niet enkel in een rapport worden beschreven.
Bij de lezing van het boek van Rozendaal moest ik denken aan één van de prettigste momenten in de week tijdens mijn tijd op de lagere school. Met de hele klas verplaatsten we ons naar de aula. Daar werd het licht gedimd en werd een groot televisietoestel, opgesloten in een kleine kast met daaronder lange metalen poten met wieltjes, binnengereden en mochten wij het SchoolTV Weekjournaal aanschouwen. Veel terugkerende milieuonderwerpen in dit jongerenjournaal van de jaren 90 waren zure regen en het gat in de ozonlaag, en die problemen werden in mijn herinnering veelal niet geconcretiseerd door rapporten.
Gat in de ozonlaag? Toon afvalbergen met CFK-koelkasten en vervolgens mensen die zich héél dik moeten insmeren en altijd een petje dragen om huidkanker te voorkomen. Zure regen? Toon grote uitstootwolken van fabrieken en vervolgens dode vissen in rivieren en bomen met een vorm van bladerziekte. Dus ja, het werd sterk vereenvoudigd voor de jeugd. In deze gepolariseerde tijd zal dat ongetwijfeld leiden tot veel kritiek. Feit is wel dat de bewustwording tussen de oorzaak en het gevolg van een verontreiniging vele male concreter werd dan in de papieren werkelijkheden waarmee we heden ten dage aandacht voor verontreinigingen pogen te vragen.
Veel aanleggers van cruciale infrastructuur moeten werken volgens de regels van tijdelijk uitplaatsen. Oftewel, verontreinigde grond moet in lagen uit de bodem worden gehaald en precies in hetzelfde bodemprofiel teruggeplaatst om verspreiding van de verontreiniging te voorkomen. Het is niet altijd voor iedereen meteen duidelijk waarom dit nodig is als er gewoon onder basishygiëne kan worden gewerkt en er voor het menselijk oog niets bijzonders te zien is. Het is daarom goed dat er ook tijdelijke uitplaatsklussen plaatsvinden waarin daadwerkelijk wél olielagen of aan PAK-gerelateerde teerhoudende lagen worden gezien en geroken. Alleen door de zichtbaarheid van daadwerkelijke verontreinigingen blijft de ondersteuning voor de hele brede werkwijze intact, omdat die anders geen (zichtbare) waarde lijkt te hebben.
Neem de twee onderwerpen die de laatste jaren het nieuws beheren: PFAS en stikstof. Elke week wordt daar wel een nieuw papieren rapport over verstuurt, waarover niemand zich echt druk lijkt te maken tenzij het om de kippeneieren of het drinkwater in de eigen achtertuin gaat. Bij de stikstofproblematiek hoor je vaak “waar maken we ons druk over, de natuur ziet er hier toch prima uit?” Inmiddels heeft men iets beter door hoe dit probleem concreet te visualiseren: niemand wil bossen overwoekert met enkel brandnetels en stekelige bramen.
Bij PFAS blijft de visualisering een probleem. PFAS-verontreiniging wordt zelfs wel beschreven als “een verborgen verontreiniging die we kunnen aantonen in rapporten en die niet meer weg gaat”. Daar hebben we niet zoveel aan, dan blijft men zich er alleen druk om maken als weer een sterk verhoogde PFAS-waarde in het eigen hobby-ei is gemeten, zonder dat meteen concreet wordt waarom dat dan eigenlijk erg is. Eén van de belangrijkste bewustwordingsmomenten over de schadelijkheid van hoge PFAS-concentraties was daarom de film Dark Waters (2019), over de rechtszaak tegen DuPont. In de film wordt op een visuele manier het gevaar van hoge PFAS-concentraties getoond, en zien we een veehouder eraan ten onder gaan doordat zijn vee op akelige wijze sterft door PFAS-verontreinigd oppervlaktewater. Door deze visualisatie wordt de PFAS-verontreiniging concreter dan welk rapport dan ook, en biedt het een zichtbaar ongemak bij een anders snel betekenisloze papieren feitelijkheid.
Dus ja, cijfers en rapporten blijven belangrijk. Maar die papieren werkelijkheid zal toch verbonden moeten blijven met concrete voorbeelden om van betekenis te blijven. Daarom blijft het goed regelmatig ook verontreinigingen te zien, ruiken en ervaren – hoe graag we dat uiteraard ook willen voorkomen.

Tom Lenting
Reageren op deze column kan hier: LinkedIn


