In de afgelopen jaren is veelvuldig alarm geslagen over de afname van de biodiversiteit in Nederland. Steeds meer plant- en diersoorten dreigen uit te sterven. De aantallen insecten zijn drastisch afgenomen. En dat terwijl de landbouw en ook de natuur sterk afhankelijk zijn van wilde bestuivers: zweefvliegen, bijen en hommels, dag en nachtvlinders. Zo’n 70% van onze landbouwgewassen moet hierdoor worden bevrucht. (Anton Roeloffzen, 7 april)
Inmiddels is er steeds meer aandacht voor herstel van de biodiversiteit, mede aangejaagd door de in werking getreden Natuurherstelwet. En die richt zich niet alleen op het landelijke gebied maar ook op de stedelijke gebieden. Voor de NATURA-2000 gebieden gelden nog strengere eisen op grond van de Habitatrichtlijn.
Met het besef dat ook buiten de natuurgebieden het waarborgen van een zekere mate van biodiversiteit verplicht en belangrijk is, werd in de afgelopen jaren het concept van de “BasisKwaliteit Natuur” ontwikkeld. Dit concept is eerst uitgewerkt voor het landelijke gebieden, maar medio vorig jaar kwam er ook werkdocument uit voor stedelijke gebieden. Hierin worden veel suggesties gedaan voor het waarborgen van de biodiversiteit in dorpen en steden, met o.a. normen voor de mate van verharding, de hoeveelheid water, de afwisseling van hoge en lage vegetaties, het beheer en de connectiviteit van groen, etc. Ook is er aandacht voor de spontane vestiging van planten, de zogenaamde stoepplantjes.
Bij het lezen van dit werkdocument viel direct op dat men weliswaar onderscheid maakte tussen natuurlijke en ook stedelijke landschappen, maar hierbij vooral de natuurlijke pre-stedelijke situatie als meetlaat is gebruikt. Er wordt ingezet op “gebiedseigen bodems”, waarbij het vooral lijkt te gaan om de natuurlijke pre-stedelijke bodems en de hierbij behorende ecosystemen. Er wordt slechts zijdelings vermeld dat veel bodems in de stad zijn opgehoogd met anderssoortig bodemmateriaal. Toen ik de auteurslijst bekeek, bleek dat er veel deskundigen hieraan te hebben meegewerkt van NGO’s als de Vogelbescherming, de Vlinderstichting, SOVON en FLORON, Naturalis en diverse universiteiten. Maar geen van deze deskundigen had een bodemkundige achtergrond. En dat verklaart veel.
In stedelijke gebieden op veengronden in het westen en noorden van ons land is meer dan 90% van de natuurlijke bodem verdwenen onder een stedelijke ophooglaag van 1 tot wel meer dan 15 meter. Deze bestaat uit wat er ten tijde van ophoging voorhanden was, klei, zand (vaak uit zandwinplassen), afvalgrond met hierin koolassen en/of puin en/of grind en/of huishoudelijk dan wel chemisch afval. Veelal sterk verontreinigd in de oud-stedelijke gebieden tot schoon in naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Ook elders in Nederland is opgehoogd met bodemmateriaal, dat niet van nature in de bovengrond voorkwam. Stedelijke bodems wijken qua samenstelling en eigenschappen dan ook sterk af van de natuurlijke bodem, die onder de ophooglaag veelal nog aanwezig is. Stedelijke bodems zijn jong en vergraven, kennen daarmee weinig bodemvorming, hebben veelal een neutrale pH en zijn in tuinen en groengebieden aangereikt met compost en/of andere meststoffen. Eventueel zijn ze erg stenig en matig tot sterk verontreinigd.
Door de sterk veranderde bodem verandert ook het ecosysteem. Stadsbodems zijn veelal sterk ontwaterd. En de overal aanwezige verhardingen en muren veranderen het leefmilieu voor planten en dieren ook vergaand. Planten, die normaliter niet in veengebieden voorkomen, groeien wel op de stedelijke bodemprofielen. Daarmee verandert ook de bijbehorende fauna. En dat geldt bij uitstek voor de stedelijke gebieden in West- en Noord-Nederland, waar van een veen- en/of kleilandschap nauwelijks nog sprake is.
Door Stadswerk is wel uitgebreider naar de stedelijke bodemeigenschappen gekeken en de gevolgen voor de flora en fauna. In navolging van Amsterdam ontwikkelen zij criteria voor gezonde stedelijke bodems, die de basis moeten vormen van de basiskwaliteit natuur in de stad.
Beide documenten zijn nog in ontwikkeling. Ik heb de auteurs van het document over Basiskwaliteit Natuur erop gewezen dat de door de mens gemaakte stedelijke bodems maatgevend zouden moeten zijn. En er is al veel informatie vanuit de bodemwereld, zoals Bodemkwaliteitskaarten met historische gegevens over de ophooggeschiedenis van stedelijke gebieden. Er zijn bodemgebruikswaarden ontwikkeld, mede op basis van ecologische criteria, en er is veel bekend over stadsnatuur. De natuurgroep, waarin ik actief ben, heeft een lijst van indicatorsoorten opgesteld per stedelijk biotoop voor de sterk verstedelijkte droogmakerij Alexander waarin ik woon.
En hoopvol, er is positief gereageerd op mijn kanttekeningen. Men wil gaan werken aan een goed bodemverhaal en daarbij graag gebruik maken van de kennis uit de bodemwereld.
Voor wie meer wil weten:
Ton Denters, 2020, Stadsflora van de lage landen, Fontaine uitgevers (ISBN 9789059569737).
Stadswerk & Forurbannature, 2025, Werkinstructie Basiskwaliteit Natuur; Conditie gebiedseigen bodem, Stadswerk (www.stadswerk.nl)
F. Edixhoven, H. Hofhuis, e.a., juli 2025, Basiskwaliteit natuur in de bebouwde omgeving, versie 1.0, Stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel (www.samenvoorbiodiversiteit.nl).

Anton Roeloffzen
Reageren op deze column kan hier: LinkedIn


