Er was een tijd dat het heel gewoon was: zelf groenten en fruit telen. Bijna elk dorp, elke stadswijk had en heeft gelukkig vaak nog een volkstuincomplex. Een plek waar mensen met hun handen in de aarde zitten en het ritme van de seizoenen volgen. In de zomer sla, sperziebonen en aardbeien. Later worteltjes en rabarber. In het najaar nieuwe aardappelen. En in de winter, als het land tot rust komt, spruitjes en boerenkool. Alles op het tempo van de natuur. (Doede Machiela, 18 mei)
Na de oogst wordt de grond omgespit. Met de hand, of soms met machinale hulp, maar altijd met aandacht. De aarde wordt gekeerd, opengelegd, als het ware even wakker geschud voordat ze mag rusten. Het liefst volgt er een strenge winter. Vorst die de grond breekt, die plagen terugdringt, die ruimte maakt voor nieuw leven.
Wie dat ooit gedaan heeft, herkent het meteen: dat strakke gevoel van opgedroogde klei op je handen. Immers bij het drogen van klei treden er verschillende fysische veranderingen op, waarbij kleiplaatjes dichter naar elkaar toe bewegen als het water verdampt en de klei krimpt en hard wordt. Alsof de aarde zich nog even aan je vast wil houden. En die geur, moeilijk te omschrijven, maar onmiskenbaar. De geur van verse grond. Van regen die valt op droge aarde. Van iets dat dieper gaat dan woorden.
Die geur heeft een naam: Petrichor. Afkomstig uit het Grieks Petra voor steen, Ichor voor het bloed van de goden. Poëtischer kun je het bijna niet bedenken. Maar het is niet alleen poëzie. Het is wetenschap. De geur wordt veroorzaakt door geosmine, een stof die vrijkomt door bodembacteriën, met name uit de familie van de Streptomycetaceae. Onzichtbare werkers die organisch materiaal afbreken en de bodem gezond houden. Zonder hen geen vruchtbare grond. En zonder hen ook die kenmerkende geur niet.
Bij vocht komt geosmine vrij in de lucht. En onze neus is daar opmerkelijk genoeg extreem gevoelig voor. We ruiken het onmiddellijk. Het zit ook in de smaak van rode bieten, en soms zelfs in water, wijn of vis. Wat we dus ruiken, is niet zomaar “grond”. We ruiken leven.
Een gezonde bodem heeft een geur. Een levend systeem dat ademt, werkt en voortdurend in beweging is. Misschien is het daarom dat die geur iets met ons doet. Dat het herinneringen oproept, of rust geeft. Alsof we even worden teruggebracht naar iets fundamenteels. De aarde laat zich kennen via haar adem.
Het is dan ook geen toeval dat er steeds meer aandacht komt voor zogenoemd reuk-erfgoed. In Nederland wordt gewerkt aan een geuratlas: een verzameling van geuren die ons verbinden met landschap, geschiedenis en cultuur. En ja, ook met de bodem onder onze voeten. Misschien is dat wel de essentie. Dat we opnieuw leren waarnemen wat er altijd al was. Dat we niet alleen kijken naar de grond als productiemiddel, maar ook als iets levends. Iets dat we kunnen ruiken, voelen en misschien zelfs een beetje begrijpen. Want wie eenmaal de adem van de aarde herkent, weet: dit is geen stilte. Dit is leven.
Afbeelding gegenereerd door AI (ChatGPT/DALL·E, OpenAI),
prompt: “Fotorealistische close-up, vochtige aarde, opstijgende nevel, moestuin, ochtendlicht, levende bodem.”
Doede Machiela
Reageren op deze column kan hier: LinkedIn



