Veel van mijn dagelijks werk speelt zich af binnen de landsgrenzen, en vaak zelfs nog verder beperkt binnen de grenzen van een provincie, waterschap of gemeente. Sinds de jaren tachtig hebben wij een fijnmazig stelsel opgebouwd van beleid, wetten, normen en protocollen om de bodem te beschermen en waar mogelijk te verbeteren. Ingenieus, zeker. Maar bij vraagstukken als secundaire bouwstoffen, PFAS, microplastics, ZZS en gezonde bodem merk je dat het stelsel zijn beperkingen heeft. Een gesprek met mijn collega Gonzalo Mella maakte me dat opnieuw duidelijk: wij zitten soms behoorlijk vast in onze eigen dagelijkse realiteit. Soms heb je geen microscoop nodig om beter naar de bodem te kijken, maar een telescoop. (Bram van de Pas, 20 juli)

Gonzalo houdt toezicht op de verwerking van reststromen uit een mijn in Chili. Steenachtig materiaal wordt verwerkt in hoge depots en het grondwater wordt gemonitord. Heel herkenbaar, maar van een andere orde van grootte. Net als hier werkt men met een risicogestuurde aanpak. De omgeving en schaal van het werk vragen om oplossingen die hier niet mogelijk zouden zijn.
Onder andere omstandigheden ontstaan andere oplossingen. Juist daarom is het waardevol om onze eigen werkwijze af en toe van buitenaf te bekijken. Doen we het goed, of kan het beter? Drie voorbeelden laten zien hoe anders zo’n blik over de grens kan zijn: Aziatische duizendknoop, plastic in bodem en monsternamemethoden.
Binnen Stantec heb ik recent geïnventariseerd hoe Aziatische duizendknoop in andere landen worden bestreden. Uit dit beperkte, niet-representatieve beeld blijkt dat in Canada, de VS en Nieuw-Zeeland, vooral wordt ingezet op chemische bestrijding en ontgraving. Tijdens een bezoek aan Canada zag ik vorige zomer duizendknoop staan in openbare parken, dicht bij bomen en verhardingen. In Nederland zou die situatie tot zorgen leiden. Of dit hier ook het geval was weet ik niet. Ons intensief gebruik van de ruimte dwingt ons tot andere vaak innovatievere oplossingen. Misschien ontstaat de meest duurzame bestrijdingsmethode juist op plekken waar de druk op de ruimte het grootst is, en dat hoeft niet per se Nederland te zijn.
Een ander voorbeeld hoorde ik tijdens een digitale bijeenkomst van Soilver, het Europese platform voor bodem- en landmanagement. In een discussie over gezonde bodem vertelde een Franse deelnemer dat er proeven liepen met het toevoegen van plastic korrels om de bodemstructuur te verbeteren. Vanuit het huidige debat over microplastics klinkt dat bijna onvoorstelbaar. Of het een goed idee was, is een andere vraag. Ik heb helaas niet kunnen achterhalen hoe dit project is afgelopen, maar het voorbeeld laat wel zien hoe verschillend het vertrekpunt kan zijn. Wat voor de één een nieuw milieuprobleem is, is voor de ander een innovatieve bodemverbetering.
Een derde voorbeeld komt uit SUS-Soil, een vierjarig Europees Horizon-project waarin de kwaliteit van agrarische bodems in Europa wordt onderzocht. Om resultaten te kunnen vergelijken, is standaardisering van de werkwijzen noodzakelijk. Dat klinkt eenvoudig, totdat je bij de praktijk komt. Het overgrote deel van Europa wordt gevormd door rotsachtige bodems. Het is logisch dat hier grondmonsters worden genomen met een ramguts of machinale boorstelling. In onze rivierdelta met sedimentafzettingen is een edelmanboor en steekguts vaak efficiënter. Wat voor ons vanzelfsprekend is, is voor onderzoekers uit Griekenland een nieuw inzicht.
Op beleidsgebied is het palet zo mogelijk nog diverser, waarbij elk land zijn eigen beleidsafwegingen maakt. Mijn houding wisselt hierbij tussen bewondering en verwondering, omdat het beleid soms erg ver van het mij bekende Nederlandse beleid af staat.
In de waan van de dag lijkt de wereld op te houden bij de landsgrens, met hooguit een Europese slagschaduw daaroverheen. Maar daarbuiten gebeurt ontzettend veel: er worden oplossingen bedacht, fouten gemaakt, lessen geleerd. Niet alles is één-op-één toepasbaar, maar dat hoeft ook niet. Soms is het al genoeg om anders te leren kijken.
Met deze laatste column voor de zomerstop wil ik jullie uitnodigen om die blik naar buiten te richten. Zoals Gonzalo, die tijdens zijn wekelijkse verblijf bij de mijn na werktijd met een kleine digitale telescoop de Chileense hemel afspeurt en daar de prachtigste fenomenen vastlegt. Ook voor ons geldt: er is een heel universum daarbuiten.

Foto gemaakt door Gonzalo Mella; Chili
Bram van de Pas (LinkedIn)
Reageren op deze column kan hier: LinkedIn


