We hebben een kurkdroge zomer achter de rug; het kan niemand zijn ontgaan. Waterstanden in rivieren bereikten uitzonderlijk lage niveaus en ook de grondwaterstanden stonden onder druk. Waterbeheerders moesten wel ingrijpen, en dat deden zij voortvarend. Er kwamen verboden en beperkingen op het onttrekken van water, met verschillende regimes voor oppervlaktewater, grondwater en drinkwater. Over de vraag of die verschillen altijd even logisch en uitlegbaar zijn, heb ik het een andere keer. Laagwater doet namelijk nog iets anders: het legt bloot wat we normaal niet zien. (Theo Edelman, 31 juni)

In 1936 verscheen het beroemde gedicht van de Nederlandse dichter Hendrik Marsman met de titel Herinnering aan Holland. Het gedicht gaat over het Nederlandse landschap en onze verhouding tot het water, vooral als dat hoog staat. De eerste regel is overbekend geworden: “Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan.”
We gaan naar 1973. In dat jaar schreef Drs. P het lied Veerpont. Hij opent het lied met de zin: “Wij zijn hier aan de oever van één machtige rivier.” Het lied gaat over een veerpont die beide oevers verbindt.
Marsman en Drs. P gebruiken de woorden ‘breed’ en ‘machtig’ om de weidsheid van de rivier te benadrukken. Zo zien wij onze rivieren ook voor ons. Dat beeld stond deze zomer in schril contrast met de stroompjes die waren overgebleven. Volgens persberichten ‘sijpelden’ die naar de kust. Er was zelfs onvoldoende debiet om het zoute zeewater uit ons land te weren.

Als het water zakt, wordt de rivierbodem zichtbaar. Daar ligt geen willekeurige verzameling zand, klei, stenen en (helaas) afval. De rivierbodem is een archief dat soms duizenden jaren teruggaat. Een archief waarin geologische processen en menselijke geschiedenis elkaar afwisselen.
Een mammoetkies vertelt over een landschap dat we ons nauwelijks meer kunnen voorstellen. Een vuursteen over de eerste bewoners van het rivierengebied. Een Romeinse munt over handel, macht en verbindingen. Houten palen kunnen resten zijn van een brug of beschoeiing. Een scheepswrak markeert een reis die ergens eindigde.
Dat vinden we fascinerend. We graven zulke vondsten op, onderzoeken ze en zetten ze in vitrines. We proberen te begrijpen wie die mensen waren, hoe zij leefden en wat zij achterlieten.
Bij extreem laag water verschijnen in delen van Europa de zogeheten hongerstenen. Stenen die alleen bij uitzonderlijke droogte zichtbaar worden en herinneren aan misoogsten, voedselschaarste en moeilijke tijden. Sommige dragen waarschuwingen uit het verleden. Wie de steen zag, wist dat het water gevaarlijk laag stond. De rivierstand was daarmee ooit meer dan een getal op een meetschaal. Hij was een economische indicator, soms een waarschuwing en soms een voorbode van ellende.
Langs de IJssel werd ook iets anders zichtbaar. Op verschillende plaatsen werden staalslakken aangetroffen op plekken waar die niet werden verwacht. Toepassing ervan was niet ongebruikelijk langs rijkswater. Zo kreeg een afval- of restproduct uit de staalindustrie een tweede leven. Dat past perfect in het jargon van deze tijd: circulariteit, hergebruik, secundaire grondstoffen. Afval bestaat niet meer, zeggen we dan. Maar niet alles wat je restproduct noemt, houdt daarmee op een probleem te zijn. Zeker niet als je geen oog hebt voor processen als uitloging. De bodem onthoudt die plekken. Die kunnen vervolgens als bron fungeren van waaruit ongewenste stoffen zich onzichtbaar in het milieu verspreiden. Met alle gevolgen van dien voor ‘al wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit’, zoals Dr. Fop I. Brouwer placht te zeggen.

Wanneer laagwater materialen zichtbaar maakt die we ooit in oevers en constructies hebben verwerkt, zien we meer dan een technisch detail uit het verleden. We zien de fysieke neerslag van een keuze. Van een tijd waarin we enthousiast waren over hergebruik, maar soms minder lang nadachten over wat dat materiaal op de korte én lange termijn zou betekenen voor ons leefmilieu.
Voor een bodemkundige is laagwater daarom meer dan een hydrologisch fenomeen. Het is een vorm van tijdreizen. Je ziet de natuurlijke lagen van zand, klei en grind, maar ook de sporen van menselijke activiteit. Soms duizenden jaren oud. Soms pas enkele tientallen jaren. Samen vormen ze één archief. Met één belangrijk verschil: bij een mammoetkies kijken we terug naar een wereld die verdwenen is. Bij de recente lagen kijken we naar keuzes waarvan de gevolgen nog steeds doorwerken.

Landschapsdeskundigen kwamen met het opvallende bericht dat ons landschap niet meer van deze tijd is. Het is ingericht op de snelle afvoer van overtollig water. Dat leidt in het huidige klimaat onvermijdelijk tot droogte en verzilting en werkt bevorderlijk voor branden. We zullen ons landschap dus opnieuw moeten inrichten.

Over een paar eeuwen loopt misschien iemand langs dezelfde rivier. Die persoon vindt een munt, een scherf keramiek of een stuk van een oude constructie. En misschien een staalslak. Dan volgt dezelfde vraag die wij nu stellen bij de resten uit vroegere tijden:
Wat deden deze mensen hier eigenlijk? Gebruikten zij hun hersens wel? De rivier zal niet antwoorden. Maar hij zal het bewijs wel hebben bewaard. Als een soort plaats delict.

Op dit moment werk ik aan een artikel over rivieren in de reeks Bodem en Muziek. Ken je een song over rivieren waarin de rivierbodem, inclusief stenen en sediment, een rol speelt? Laat het me gerust weten. Wie weet krijgt jouw suggestie een plek in het artikel.

Theo Edelman

Website

Facebook

Twitter

Reageren op deze column kan hier: LinkedIn